Hodgkinlymfoom (HL)

Inhoudsopgave

Terug naar overzicht hematologische diagnosen http://de-heer.eu

1 onderzoek

  • PET-CT (indien evt. vroeg-stadium mogelijk: in stralingshouding)
  • geen beenmergonderzoek
  • Ann-Arbor-classificatie (let op: stadium II-B + bulky = gevorderd HL)
  • vroeg-stadium:
  • overweeg ook bij vroeg stadium vruchtbare vrouw te verwijzen naar de fertiliteitpoli
  • semenpreservatie
  • altijd MDO:
    • vroeg-stadium: afweging lange termijneffecten RT versus gering inferieure therapie zonder radiotherapie
      • bij twijfel proefplanning overwegen
      • indicaties weglaten radiotherapie
        • altijd: <35 jaar en mammae in veld (bv. mediastinaal en bilateraal axillair)
        • te overwegen:
          • bulky mediastinaal, mediastinaal en 1 klier in oksel
          • proximaal in hals
    • gevorderd stadium
      • >70 of >60 en niet fit: CHOP
      • >60 en fit: ABVD
      • <60 keuze maken tussen ABVD of BEACOPP
        • argumenten voor escBEACOPP: stadium IV, hoge tumorload (tumor >7 cm), IPS >1, voorkeur patient (korter schema, betere PFS-5j 82% vs 92% (OS 95% vs 98%)
        • argumenten voor ABVD: fertiliteit, mogelijk meer lange termijneffecten (secundaire maligniteiten, MDS), PS >2 boven 40 of co-morbiditeit

2 therapie

2.1 therapie eerste lijn

2.1.1 interim-PET/CT

  • op dag 23-25 van kuur 2
  • indien behandeling met ABVD gestart wordt:
    • mCR: bleomycine mag weggelaten worden bij vervolg behandeling
    • geen mCR:
      • over op escBEACOPP
      • indien conditie geen escalatie naar escBEACOPP toestaat toch PET-CT maken omdat weglaten bleomycine na kuur 2 alleen veilig gebleken is bij mCR
      • alternatief bij geen mCR (of CT zonder PET): continueren bleomycine onder scherpe controle LF (niet gevalideerd beleid)
  • indien behandeling met escBEACOPP gestart wordt:
    • al dan geen mCR bepaalt aantal kuren escBEACOPP dat nog volgt

2.1.2 vroeg stadium

  • infradiafragmaal lymfoom is geen reden om af te wijken van protocol[1]
  • schema met radiotherapie
    • >70 of >60 en niet fit: 3x CHOP-21 + IN-RT
    • ABVD-bevattend schema
      • EORTC/GHSG favourable: 2x ABVD + 20 Gy INRT (op dag 21 na laatste gift)
      • GHSG unfavourable
        • EORTC favourable: 3x A(B)VD + 20 Gy INRT
        • EORTC unfavourable: 4x A(B)VD + 30 Gy INRT
      • interim-CT geen mCR: over op 2x escBEACOPP
  • schema zonder radiotherapie
    • non-bulky: 4x A(B)VD
    • bulky: 6x A(B)VD
  • evaluatie na therapie

2.1.3 gevorderd

  • COBRA-studie (zie studieoverzicht)
  • CHOP: 6x CHOP-21
  • ABVD: 2x ABVD
    • D1-3: nog 4x AVD
    • D4-5: 4x escBEACOPP
  • escBEACOPP: 2x escBEACOPP
    • D1-3: 2x escBEACOPP
    • D4-5: 4x escBEACOPP
  • evaluatie na therapie

2.1.4 eindevaluatie

  • in bestralingspositie bij grote kans op aanvullende radiotherapie
  • na chemoradiotherapie
    • na 3 maanden
    • niet nodig bij beperkt stadium en negatieve interim/plannings-PET-CT
  • na behandelplan zonder radiotherapie
    • na 4-6 weken
    • indien nieuwe lesies of groei na eerdere afname, en <65 tot 70
      • PA-bevestiging: tweedelijns therapie
      • geen PA-bevestiging mogelijk: na 2 maanden PET-CT herhalen
    • indien "nog resterende FDG-avide afwijkingen" >1,5 cm: aanvullende RT, 36 Gy op FDG-avide afwijkingen

2.2 recidief

  • curatieve intentie
    • <65-70 en fit genoeg voor autologe stamceltransplantatie (BEAM)
      • 3x DHAP
        • overweeg toevoegen brentuximab bij recidief binnen 1 jaar: BV-DHAP (Hagenbeek, Haematologica, 2019)
        • CT na kuur 2, indien geen PR over op tweedelijns therapie
        • PET-CT na kuur 3, indien geen mCR over op tweedelijns therapie, bv.
          • brentuximab (aantal kuren: mCR +2)
        • bij hoog-risico is onderhoud brentuximab na AuSCT een vergoede overweging (indicatie nog niet uitgekristalliseerd)
      • bij nierfunctiestoornis door DHAP
  • indien RT mogelijk is
    • ook monotherapie radiotherapie kan curatief zijn
    • met name bij vroeg stadium ziekte
  • incurabel

2.3 NLPHD

  • stadium I: hoge dosis RT
  • stadium II: 2x ABVD gevolgd door hoge dosis RT [3]
  • stadium III/IV: wait-and-see bij geen klachten

3 prognose

  • vroeg stadium
  • gevorderd
    • curve volgens Hasenclever
    • ABVD versus BEACOPP: verschil in PFS 5 tot 15%, verschil in OS mogelijk 2,5%

4 GHSG-risicoclassificatie

  • 1 van de volgende aanwezig aanwezig = "intermediate stage" (anders early stage)
    • large mediastinal mass, size at least one third of the maximum thorax diameter
    • extra-nodale ziekte
    • >2 klierstations
    • verhoogd BSE
      • > 50 mm/h bij IA, IIA, en
      • > 30 mm/h bij IB,IIB

5 EORTC-risicoclassificatie

  • 1 van de volgende aanwezig = unfavorable
    • >50 jaar
    • large mediastinal adenopathy (>=0,35 MT ratio: op Th5 ratio tumor/thorax diameter op staande X-thorax)
    • bij BSE => 50/h B-symptomen
    • bij BSE => 30 mm/h B symptomen
    • >3 klierstations

6 Klierstations

6.1 GSHG uitgeschreven

  • Area A: right cervical + right infra-/supra-clavicular/nuchal lymph nodes
  • Area B: left cervical + right infra-/supra-clavicular/nuchal lymph nodes
  • Area C: right/left hilar + mediastinal lymph nodes
  • Area D: right axillary lymph nodes
  • Area E: left axillary lymph nodes
  • Area F: lymph nodes of the upper abdomen (spleen hilum, liver hilum, coeliacal)
  • Area G: lymph nodes of the lower abdomen (spleen hilum, liver hilum, coeliacal)
  • Area H: right iliac lymph nodes
  • Area I: left iliac lymph nodes
  • Area K: right inguinal + femoral lymph nodes
  • Area L: left inguinal + femoral lymph nodes

7 Hasenclever

Serum albumin <4 g/dL
Hemoglobin <10.5 g/dL
Male gender
Age >45 years
Stage IV disease
White blood cell count ≥15,000/microL
Absolute lymphocyte count <600/microL and/or <8 percent of the total white blood cell count

8 Ann-Arbor-classificatie[2]

  • Stage I: single lymph node region or lymphoid structure (as spleen, thymus and Waldeyer's ring)
  • Stage II
    • two or more lymph node regions or structures on same side of diaphragm
    • hilar nodes should be considered to be "lateralized"
    • number of anatomical regions should be indicated by a subscript (e.g. II3)
  • Stage III: lymphoid structures on both sides of the diaphragm
    • III1: spleen or splenic, hilar, coeliac or portal node involvement
    • III2: paraaortic, iliac or mesenteric node involvement
    • thus, also supradiaphragmatic disease with splenomegaly
  • Stage IV: extensive extranodal disease
  • B: unexplained weight loss >10% body weight during 6 months, unexplained fever above 38°C during the previous month, drenching night sweats during the previous months
  • S: spleen
  • X / bulky: largest dimension (cm) >10 or mediastinal: maximum width is equal or greater than one-third of the internal transverse diameter of the thorax at the T5-T6 level maximal inspiration in the upright position at a source-skin distance of 2 m
  • involvement of extra lymphatic tissue on one side of the diaphragm by limited direct extension from an adjacent nodal site
    • prognosis equivalent to that for nodal disease
    • multiple extranodal deposits: stage IV
    • single extralymphatic site as only site of disease: IE

9 kuurschema's

10 voetnoten

[1]

[2]

  • Carbone PP, Kaplan HS, Musshoff K, et al. Report of the committee on Hodgkin's disease staging classification. Cancer. Res. 31:1860-1861, 1971.
  • Lister TA, Crowther D, Sutcliffe SB, et al. Staging for Hodgkin's disease. Report of a committee convened to discuss the evaluation and staging of patients with Hodgkin's disease: Cotswolds meeting. J. Clin. Oncol. 7:1630-1636, 1989 (Erratum J. Clin. Oncol. 8:1602, 1990).

[3]

Auteur: Koen de Heer

Created: 2021-02-06 za 11:40